 Motivatie:
Tijdens de vier jaar geneeskunde studie, die ik voor deze stage al achter de rug had, werd mijn aandacht getrokken door de wereld van het onderzoek. Ik werd me er meer en meer van bewust dat er zonder al het onderzoek dat er plaats vindt, geen vooruitgang in de geneeskunde te zien zou zijn. Het is daarom best raar dat er niet veel praktisch onderwijs wordt gegeven in de studie geneeskunde op dit gebied. Omdat het onderzoeksgebied mijn interesse had getrokken besloot ik me hierin te gaan verdiepen. De mogelijkheid bood zich aan om dit in Zweden te gaan doen, in een laboratorium waar ze onder andere onderzoek verrichten naar hersentumoren en laat dat nou net een gebied in de geneeskunde zijn waar mijn interesse vooral naar uit gaat.
Verloop:
Het is nu alweer meer dan een jaar geleden dat ik naar het in mijn ogen koude en verre Zweden vertrok om daar mijn geluk te gaan beproeven in het Ludwig Institute for Cancer Research (een wereldwijde organisatie waar zeer divers onderzoek naar kanker wordt gedaan). Zo ver weg, voor zo een lange tijd (4 maanden) was ik nog nooit geweest. Een hele onderneming dus. In het begin veel zorgen over of alles wel goed was geregeld en zeer zenuwachtig over de eerste vliegreis in mijn leven.
Eenmaal aangekomen werd ik netjes opgehaald van het vliegveld door mijn begeleider in het lab en door hem afgezet op mijn kamer, die zelfs groter was als het studentenhokje waar ik in Nederland in verblijf. Het was natuurlijk lekker Ikea ingericht zoals het hoort in het land van Ikea. Omdat ik op vrijdag middag aan kwam had ik het hele weekend om te acclimatiseren en de stad te verkennen.
Op maandagochtend mijn eerste dag naar het laboratorium. Spannend was dat. Ik had wel ooit een lab van binnen gezien en ook wel wat eenvoudige proeven gedaan tijdens de maar sporadische practica in mijn opleiding, maar de meeste info had ik uit de boeken. De ontvangst was hartelijk, een extra hulpje in het lab werd wel gewaardeerd volgens mij. Omdat ik maar vier maanden kon blijven, daar mijn co-schappen daarna weer begonnen in Nederland, was er besloten dat ik mee zou gaan werken in een Phd project (promotie onderzoek) van een van de onderzoekers van het lab. De tijd was te kort om een eigen onderzoek op te starten, uit te voeren en geheel zelf af te maken. Thuis had ik al informatie gekregen en gezocht over het onderzoek waarbij ik betrokken zou worden en ik had mezelf met de beschikbare literatuur al voldoende voorbereid op wat me te wachten zou staan. Ik werd intensief ingewerkt, de eerste week zelfs bijna hand in hand door het lab meegenomen door mijn begeleider. Ik mocht alles zelf doen onder zijn toezicht en na de eerste week werd ik stapje bij beetje zelfstandiger. Het was een prettige situatie, want zeker in het begin voelde ik mij een kluns met twee linkerhanden in het kwadraat in dat lab, maar door de goede begeleiding leerde ik snel en kon ik snel alleen aan de slag. De sfeer in het lab was altijd ontspannen. Er waren ook veel jonge mensen, al was ik nog wel steeds het broekie daar. De werktijden mocht ik helemaal zelf indelen en toen mijn ouders en vriendje uit Nederland mij kwamen bezoeken, werd mij de ruimte gegeven vrije dagen te nemen en de toerist uit te gaan hangen.
Wat mij verder erg opviel was dat er veel gesport wordt, ook tijdens werktijd. Een uur in de week was geoorloofd, werden het er meer, wat nogal eens voor kwam, dan haalde je die werktijd ‘versport’ had gewoon in tijdens de avonduren of in het weekend. Het was ook echt nooit stil in het lab, er waren altijd wel mensen aan het werk. Aangezien ik tegenover het lab woonde en ik het vanuit mijn raam kon zien, kan ik bevestigen dat het harde werkers zijn die mensen in dat instituut er brandde altijd wel licht en meestal betekende dat er wel iemand aan het werk was. Ook het weekend was niet heilig voor de gedreven onderzoekers, ik kwam nog wel eens op zondag in het lab om van de computer gebruik te maken, er was dan wel altijd iemand waarmee ik een kop koffie kon drinken, vaak was het net alsof het een gewone werkdag was. Ik heb geprobeerd een leven als onderzoeker te leiden en dat is in mijn ogen aardig gelukt. Ik heb van alle facetten van het vak mogen genieten. Ben er voor mijzelf wel uitgekomen dat ik geen fulltime onderzoeker ben. Het patiënten contact miste ik toch te zeer, maar het is zeker wel zo interessant dat ik mezelf er op enigerlei wijze mee bezig wil gaan houden in de toekomst. Beschrijving van onderzoek:
Glioblastoma multiforme (GBM) is een hersentumor, die wordt gezien als een van de meest dodelijke tumoren voorkomend bij de mens. De overleving is gemiddeld 9-12 maanden na de eerste vaststelling van de diagnose. De behandelingen die momenteel worden gebruikt tegen deze zeer kwaadaardige hersentumor hebben een zeer beperkt effect. Deze behandelingen kunnen bestaan uit zowel radiotherapie, chemotherapie, een operatie of een combinatie van deze drie. Meer recentelijk zijn er andere onderzoeksmethoden ontwikkeld waarmee meer geavanceerde therapieën ontwikkeld kunnen worden. Een voorbeeld van een recentelijk ontwikkelde methode is microarray analyse. Met deze techniek kan op DNA niveau wordt gekeken naar verschillen in weergave en activiteit van verschillende genen. Op deze manier kunnen verschillen worden ontdekt tussen normaal en kankerweefsel. Hierop kan een therapie worden ontwikkeld die specifiek de genen aanpakt waar het probleem in zit en daarmee de patiënt op een zo specifiek mogelijke manier te behandelen. Met behulp van deze techniek is ontdekt dat GBMs vaak een overexpressie (vermeerderde aanwezigheid) vertonen van een bepaalde groeifactor receptor, PDGF (platelet-derived growth factor) genaamd. Vandaag de dag zijn er verschillende goed werkende therapeutica beschikbaar, die zich specifiek richten tegen deze groep van receptoren, de zogenaamde PDGF remmers.
Momenteel wordt er veel onderzoek verricht met behulp van het medicament STI571 (Glivec), de eerste beschikbare en bruikbare PDGF receptor remmer voor kanker. Het is bekend dat dit medicament inwerkt op verschillende receptoren, Bcr-Abl, c-KIT, PDGF receptor en ARG, deze receptoren spelen belangrijke rollen in het ontstaan van verschillende ziekten onder andere kanker. Een afwijking in het Brc-Abl eiwit is bijvoorbeeld gevonden als een causatieve factor voor het ontstaan van chronisch myeloide leukemie (CML). Met behulp van STI571 behandeling kan verbetering en zelfs genezing van patiënten met deze ziekte optreden.
Zoals al kort eerder vermeld is, is ontdekt dat de PDGF receptor een rol speelt bij de ontwikkeling van GBMs. In tegenstelling tot het goede effect dat STI571 laat zien bij CML, wordt er in vivo en vitro onderzoek waarin STI571 als behandeling voor GBM wordt gegeven, een wisselend effect waargenomen. Sommige van de tumoren vertoonde een remming in de groei, andere tumoren reageerden niet of nauwelijks op deze vorm van therapie. De vraag die hieruit naar voren komt is waarom er in een geval wel een effect op STI571 wordt gezien en waarom in andere geval niet, en hoe dat effect op celniveau tot stand wordt gebracht.
Met mijn onderzoek dat ik heb verricht in het Ludwig Institute for Cancer Research, Uppsala, Zweden, heb ik getracht meer duidelijkheid te scheppen in de reactie van GBMs op STI571. De PDGF receptor, die overmatig aanwezig is in GBM cellen, zet in een cel verschillende mechanismen in werking, ook wel pathways genoemd, wanneer de receptor gestimuleerd wordt. De twee belangrijkste en meest interessantste pathways die door activering van de PDGF receptor worden gestimuleerd zijn Akt en ERK. We verwachten een relatie te zien tussen de activering van een of beide pathways en een het effect op STI571. In tumoren die meer groeiremming laten zien als effect op STI571 verwachten we een grotere vermindering in de activiteit van deze pathways. Om dit effect te kunnen waarnemen hebben we van 10 verschillende GBM cel lijnen, zowel reagerend als niet reagerend op STI571, cellen gekweekt en deze wel of niet behandeld met STI571. Op deze manier konden we de verschillen in activiteit van de twee pathways, behandeld en niet behandeld weer geven. Uit figuur 1 blijkt dat er geen duidelijke correlatie zichtbaar is tussen de groeiremming door STI571 en de activiteit van de Akt pathway. Bij ERK is er een duidelijkere correlatie zichtbaar, zoals te concluderen is uit figuur 2. Als de groeiremming, weergegeven in percentages toeneemt neemt de activiteit van ERK af. Dit pleit ervoor dat STI571 een effect op de groei van GBMs heeft door interferentie met de ERK pathway.
Wat betekent dit voor de praktijk. Door het resultaat, wat uiteraard nog verder onderzoek verdient, dat het effect van STI571 voornamelijk lijkt te worden veroorzaakt door de blokkering van een enkele pathway in GBMs, zou in de toekomst een meer specifiek medicament kunnen worden gebruikt dat zich specifiek op dit doel richt. Hierdoor is er minder kans op bijwerkingen voor de patiënt, omdat zo min mogelijk wordt verstoord in mechanismen die niet bijdragen aan het ontstaan GBMs. Conclusie
Uiteindelijk is het een onvergetelijke tijd geweest. Op veel gebieden ben ik rijker geworden. Zonder de financiële steun, die ik van de Saal van Zwanenberg Stichting heb gekregen was dit moois niet mogelijk geweest. Mijn dank daarvoor is nog altijd groot!! |