 Stage-ervaring en persoonlijke reactie op het verblijf in het buitenland:
Dit verslag schrijf ik naar aanleiding van mijn wetenschappelijke onderzoek welke ik heb gelopen aan de UCSF in San Francisco van april tot september 2005.
Ik werkte in het Comprehensive Cancer Center op het lab van prof D.A. Haas-Kogan samen met 2 postdoc’s, 2 artsen en 1 amerikaanse medische student. De eerste 2 weken heb ik slechts halve dagen gewerkt op het lab, en de rest van de tijd besteed aan het zoeken van een kamer en toebehoren.
Via http://www.craigslist.org/sfc/ kun je werkelijk alles in San Francisco vinden. Van een kamer tot een wasmachine tot een date. Voor mij was alleen de kamers-aangeboden interessant. Meteen werd ik geconfronteerd met de San Francisco-cultuur. Mensen willen de meest aparte dingen weten van een toekomstige huurder. Of je homo- of hetro-sexueel bent, of je wel eens drugs gebruikt en of je er problemen mee hebt dat je huisgenoten veel blowen (420-friendly in jargon). Het kon niet missen, ik zat in San Francisco.
De eerste 10 kamers die ik had bekeken, waren geen succes. Bijvoorbeeld ver van elk openbaar vervoer, vieze kamers, duur, ongure buurt, gedeelde slaapkamer, een hospita die geen bezoek, geen muziek en geen nachtelijk thuiskomen wilde, een pianoleraar in hetzelfde pand en er was zelfs één kamer zonder raam!! Het verweer van de verhuurder hierop was dat studenten toch dag en nacht op de universiteit zaten, dus waar had je dan een raam voor nodig?
De elfde kamer die ik ging bezoeken, was perfect. Vier leuke huisgenoten en in de ontzettend gezellige wijk Haight Ashbury, mooi, groot huis en een eigen kamer met een raam.
Punt één van mijn to-do list was afgewerkt, de kamer was gevonden!
Zo leerde ik Haight Ashbury kennen, het hippie-middelpunt van Amerika en, zoals ze zelf berweerden, van de wereld. Ik woonde precies op de kruising van Haight Street en Ashbury, dus meer hippie kon niet. En dat heb ik geweten. Het was een in-en uitloop van hippies in ons huis en we hadden onze eigen couch potato. Dat is iemand die geen huis heeft of de weg kwijt is, en elke nacht ergens op de bank slaapt. Druk, maar erg gezellig. Haight Ashbury is een klein dorp in de grote stad. De meeste mensen die daar wonen, werken er ook en gaan daar uit eten en naar de kroeg. Mijn huisgenoten kwamen soms weken de straat niet uit.
Op het lab kon ik nu full time aan het onderzoek beginnen. De eerste maand heb ik meegewerkt aan de lopende studie van het lab. Dat was een studie naar de radiosensitiserende (het gevoelig maken van cellen voor bestralingstherapie) werking van een HDAC-remmer (een groeiremmer van tumorcellen) op neuroblastoma (een veelvoorkomende hersentumor bij kinderen) cellijnen. Met behulp van een clonogene assay heb ik gekeken wat het effect was van AN-9 (een HDAC-remmer) op twee neuroblastoma cellijnen.De volgende stap in het onderzoek waren muizen-experimenten, waarbij gekeken werd wat het effect van AN-9 was op een neuroblastoma in een muis. Omdat deze experimenten maanden zouden duren, heb ik er voor gekozen om verder te gaan met een nieuw project, welke ik kon afronden voordat ik terug zou gaan naar Nederland.
Dat was een studie naar het effect van een PI3K-remmer (een remmer van cel-groei en –differentiatie) op cellijnen van de Glioblastoma Multiforme (GBM=een kwaadaardige hersentumor) en primaire tumorcellen uit een patient. Ik heb GBM-cellijnen gebruikt die wel of niet een mutatie hadden in het PTEN-gen. PTEN is een tumor supressor gen, en wanneer deze gemuteerd is, kan dat leiden tot een verhoogd risico op het ontstaan van kanker. Met western blots heb ik gekeken of er een verschil was van het groei-remmende effect van drie verschillende isovormen van PI3K-remmers op de GBM-cellen. Het is gebleken dat niet zo zeer het wel of niet hebben van de PTEN mutatie de gevoeligheid van de PI3K-remmer bepaald, maar des te meer welke isovorm van de PI3K-remmer werd gebruikt.
Wat me opviel aan het werken in een amerikaans lab is dat er zoveel geld beschikbaar is voor onderzoek. Ik hoefde maar iets te noemen, en ik kreeg ik. Hoefde me nergens voor te verantwoorden en kon bestellen wat ik wilde.
Een ander opvallend verschil met Nederland is, hoe kan het ook anders, het eetpatroon. “No meeting without eating” was de slogan. Bij elke vergadering, presentatie of ‘social hour’ was er een ruime hoeveelheid eten aanwezig. Bagels, chips, zoutjes, taart, koeken, aan eten was er nooit gebrek. Het overgewicht van de Amerikaanse bevolking werd steeds begrijpelijker.
Ook het 24-uurs werken viel me op. Iedereen had een pasje waarmee je 24 uur per dag, 7 dagen per week toegang had tot het lab. En mensen deden dat ook. Of je nou ’s morgens vroeg, ’s avonds laat, ‘s nachts of in het weekend kwam, altijd waren er wel mensen aan het werk.
Maar naast het harde werken, was er ook genoeg tijd voor ontspanning
Elke vrijdag ging iedereen van het lab gezamenlijk de kroeg in voor de vrijdag-middag borrel, die tot ’s avonds laat doorging en op zaterdag was er altijd wel een BBQ bij iemand.
Via de UCSF heb ik Evelyn en Fieke leren kennen, net als ik studenten van UvA die daar ook waren om haar wetenschappelijke stage te doen. Met hun heb ik diverse uitstapjes gemaakt binnen en buiten San Francisco, en heeft zich een vriendschap ontwikkeld, welke we in Amsterdam hebben voortgezet.
Al met al waar het vijf intensieve, leerzame en geweldige maanden.
Een ervaring die ik niet had willen missen!
Dankwoord:
Ik wil hierbij Dr Lukas Stalpers, het KWF, mijn ouders en de Saal van Zwanenbergstichting bedanken. Met hun hulp is het mogelijk geworden dat ik een geweldige tijd heb kunnen hebben in een fantastische stad.  |